Recensies van boeken

Jan Herling

De grote droom van Leo Baekeland – Hilda Schalck (2013)

(gelezen januari 2022)

Het boek verhaalt de levensgeschiedenis van een Vlaamse wetenschapper die in het begin van de 20 eeuw de uitvinding van een kunststof op zijn naam heeft gezet. Er waren in die tijd meer wetenschappers bezig met de ontwikkeling van een stof met eigenschappen als sterkte, vormbaarheid, elektrische isolatie, duurzaamheid, enz. Leo Baekeland is de eerste geweest die in de Verenigde Staten een dergelijk product heeft ontwikkeld en het de naam “bakeland” heeft gegegeven.
Het door Hilda Schalck geschreven boek is geen biografie en ook geen roman. De aanduiding biografische roman is goed gekozen, omdat het een getrouw beeld geeft van het leven van de hoofdpersoon en het tevens de vrijheid biedt om een prettig leesbaar en boeiend verhaal te schrijven.
Het verhaal begint in de stad Gent in België waar Leo opgroeit in het gezin van een schoenmaker. Leo blijkt een goed stel hersens te hebben en is leergierig. Zijn vader ziet hem alleen als opvolger in de schoenmakerij, terwijl zijn moeder hem stimuleert om een goede opleiding te volgen. Bijzonder is dat hij met alleen een lagere technische opleiding toestemming krijgt om aan de universiteit van Gent te gaan studeren. Na zijn studie scheikunde stort hij zich op de ontwikkeling van fotografisch papier. Hij trouwt met zijn grote liefde Céline en vertrekt met haar naar de VS omdat hij van mening is dat daar het klimaat voor onderzoek en ontwikkeling aanzienlijk beter is dan in België. De eerste tijd in de VS is bijzonder moeilijk omdat ze financieel aan de grond zitten. Als Céline zwanger raakt wil zij toch in Gent bevallen, zodat ze beiden de overtocht naar Europa nemen. Daar aangekomen reist Leo weer terug naar de VS. Dit moeten kostbare reizen geweest zijn, waarvan ik niet goed kan begrijpen hoe zij dit konden betalen.
Céline komt uit een welvarende familie, dus vermoedelijk is e.e.a. door haar familie betaald.
Door toeval komt Leo in aanraking met een welvarende ondernemer in de VS die bereid is om geld in een nieuw bedrijf op het gebied van fotografisch papier (Velox) te steken. Dit bedrijf is dermate succesvol dat Leo tijd en geld krijgt om zijn grote passie uit te gaan voeren, namelijk het ontwikkelen van een nieuw chemisch materiaal met betere eigenschappen dan natuurlijke materialen te bieden hebben.
Het boek gaat uitgebreid in op alle familie-omstandigheden, zoals verhuizingen, kinderen, huwelijk. Leo experimenteert uitgebreid met fenolhars en formaldehyde om zijn droom werkelijkheid te laten worden. Door zijn inzicht dat het nieuwe materiaal ontwikkeld moet worden met behulp van hoge temperaturen en druk, slaagt hij in het produceren van een uithardende kunsthars die in vele vormen geperst kan worden.
Zijn relatie met onderzoekers in met name Duitsland wordt beschreven, evenals de moeite die hij zich getroost om zijn uitvindingen met patenten te beschermen.
Dit is niet altijd eenvoudig omdat er meerdere concurrenten zijn die hem aanvallen met rechtszaken.
Het wordt niet duidelijk of Leo misbruik heeft gemaakt van ontwikkelingen van andere bedrijven waar patent op heeft gerust. Hij is een gewiekst zakenman, dus dat zou niet verbazen.
Eind jaren 30 moet Leo zijn bedrijf verkopen, maar financieel hoeft hij zich dan in ieder geval voor hemzelf en voor al zijn familieleden geen zorgen te maken.
Wat opvalt in het boek is dat er altijd geld vrijgemaakt kan worden om de familie in de VS of in België te ondersteunen. Het gezin leeft op grote voet, vooral omdat Céline veel van luxe houdt. Het bezitten van meerdere huizen, het in dienst hebben van huishoudelijk personeel, het bezit van een auto, vakantiereizen door Europa, het wijst er allemaal op dat er niet alleen veel verdiend wordt, maar dat er ook veel wordt uitgegeven.
Het boek is gemakkelijk leesbaar, maar het is even wennen dat bij het beschrijven van dialogen soms geen duidelijke overgang zichtbaar is tussen de teksten van de desbetreffende personen. Taalkundig zit het boek prachtig in elkaar. Ik heb geen last gehad van storende spelling- of grammaticafouten.
Het boek is geen biografie en pretendeert dit ook niet te zijn, maar het geeft een prachtig inzicht in de ontwikkeling van een product dat destijds een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de maatschappij. Persoonlijk was ik al heel lang bekend met het product bakeliet, omdat het ook gebruikt werd voor de produktie van behuizingen voor radio-apparatuur en diverse electronicacomponenten, waar ik zelf als hobby veel mee te maken heb gehad.

Voorts kan ik nog opmerken dat alleen de positieve eigenschappen van Leo Baekeland belicht worden. Hij zal beslist geen heilige geweest zijn, want dan word je geen succesvol zakenman. De zoektocht naar een dergelijke kunststof werd door meer onderzoekers ondernomen, maar hij had als eerste het patent en werd vervolgens geconfronteerd met vele patentoorlogen.
Interessant is dat juist in deze tijd het product kunststof (plastic) sterk onder druk staat, vanwege de milieuvervuilende consequenties.

Ik denk dat het duidelijk is dat ik dit boek met veel plezier heb gelezen. Ik kan het iedereen met belangstelling voor maatschappij, geschiedenis, familierelaties en technische ontwikkelingen van harte aanbevelen.

In 2018 is door John E. Maher een documentairefilm van een uur over Leo Baekelite gemaakt:
“All things Bakelite: the Age of Plastics”.

De Laatkomer – Dimitri Verhulst

(ondertitel: Ik steek de Styx over en neem mee)

Ik heb dit boek gelezen op 22 juli 2021 op advies van Alke Wijn, deelnemer aan de Koert-fietsclub. Ik heb zelf geen recensie geschreven. De onderstaande twee recensies zijn afkomstig van www.tzum.info en van www.literairnederland.nl.

Recensie door Marleen Nagtegaal (Tzum, 27-5-2013)

Er bestaat een verhaal over een Australiër die zijn leven per opbod heeft verkocht. Zijn werk, zijn huis, zijn vrienden en zijn barbecue: iemand anders mocht het allemaal hebben en er werd grof geboden op dit middelmatig bestaan. De meeste mensen zijn na het horen van zo’n verhaal verbaasd. Désiré Cordier is dat in eerste instantie ook, maar vervolgens raakt hij geïnspireerd. Het is zo’n slecht idee nog niet om je op je oude dag te onttrekken aan alle dagelijkse beslommeringen en ergernissen en vooral: om het verdomde zanikende wijf dat zich je echtgenote noemt uit je leven te schrappen. Voorgoed. Het hoofdpersonage in De laatkomer van Dimitri Verhulst besluit het staartje van zijn mislukte bestaan een krul te geven en bedenkt een absurd plan.

Hij pakt niet zijn koffers om te verdwijnen naar een onbekend oord. Hij zet niet zijn eigen dood in scène. Hij haalt niet dat beruchte pakje sigaretten bij de winkel om de hoek. Nee, Désiré wordt dement. Hij voert een overtuigende act op als afglijdende Alzheimerpatiënt en krijgt het voor elkaar opgenomen te worden in bejaardentehuis Home Winterlicht. Hij mag vrouw en kinderen vergeten en verder, tja. Wat, eigenlijk? Behalve een van familie gevrijwaarde omgeving levert de vlucht hem weinig op. Hij moet in bed poepen. Medicijnen slikken. Wegkwijnen voor de televisie. Ganzenborden. Kwijlen. Staren. Het vergt nogal wat vuile discipline om geloofwaardig dement te zijn, maar Désiré heeft het er graag voor over.

In Home Winterlicht gebeurt er wonderwel ook wel eens wat. ‘Commandant Alzheimer’ woont er bijvoorbeeld, een oude nazi. Désiré maakt genadeloos misbruik van de verwardheid van de man, een gemoedstoestand die met het nodige raffinement makkelijk is om te buigen naar pure angst. Het is nooit te laat voor boetedoening. Opmerkelijk is daarnaast de ontmoeting van Désiré met een tabakspuwende medebewoner, die hem feilloos door blijkt te hebben. Was hij werkelijk in de veronderstelling een origineel idee te hebben opgevat? Dat hij de enige was die een illusoir vergeten voorwendde? Wie heeft er aan het einde van zijn leven géén spijt? Wie wil er niet ontsnappen aan sleur en treurnis?

Wroeging: het is één van de hoofdthema’s van het boek, waarbij spijt om gedane zaken (Désiré toont zich uiteindelijk nog mild voor de nazi) wordt overschaduwd door spijt om dingen die nooit zijn gebeurd. Rosa Rozendaal is de gemiste kans van Désiré. Hij had lang niet aan haar gedacht. ‘Hoe een naam na vele decaden recht in je mombakkes wordt geboemerangd.’ Hij ziet Rosa terug in het tehuis. Maar dansen zoals vroeger is er niet meer bij en de kus die Désiré aan haar hoopte te geven, die ooit zijn levensloop had kunnen veranderen en dat misschien nu nog wel kan, neemt hij uiteindelijk toch mee tijdens zijn oversteek van de Styx.

Verhulst biedt, zoals we van hem gewend zijn, tegenwicht aan zware thematiek met humor en slim taalgebruik. Hij legt zijn hoofdpersonage weliswaar regelmatig flink gedateerde woorden of flauwe grappen in de mond, maar die zijn juist belangrijk voor de karakterisering. Daarbij zijn er minstens zo veel scherpe formuleringen te vinden: Désiré is een cynische grijsaard in woord en daad. Zijn vertrek naar het tehuis is hilarisch: de hele buurt loopt uit, hij laat de caravan achter de auto hangen en claxonneren terwijl hij zelf uitgelaten gedag zwaait. In zijn bejaardenkamer vervangt hij al snel de familieportretten: ‘Waar eerder mijn echtgenote met handtas klemvast onder de oksel stond te pronken onder de Eiffeltoren, stak nu de afbeelding van een afgeprijsde prosciuttoham, €1,99 voor 100 gram.’

Ook al portretteert Verhulst een oude man die denkt zoals duizenden oude mannen denken, ook al zijn de verlangens van Désiré begrijpelijk, ook al is het moedig dat hij het avontuur nog aangaat, ook al getuigt het van intelligentie dat hij een geestesziekte voorwendt: hij is en blijft een slappe zak. Eén die, daar komt hij later achter, zich eigenlijk nooit bezig heeft gehouden met zijn dochter. (‘Slik.’) Of zijn zoon. (‘Slik.’) Die hen en zichzelf decennia lang heeft laten overlopen door zijn vrouw. Dat leven wis je niet zomaar uit, hoe graag je ook wilt vergeten. En op je vierenzeventigste nog opnieuw beginnen: hij komt er een beetje laat mee. Misschien dat Désiré zich daarom – uiteindelijk – voluit kan overgeven aan zijn act: ‘Ik huil ontroostbaar en veel, spreken doe ik niet meer, tegen niemand.’

Recensie door Martin Lok (Literairnederland, 5 juni 2013)

Soms is fictioneel bedrog zo ongelofelijk, en daarmee zo overtuigend, dat het niet de verbeelding maar de werkelijkheid tart. De dunne scheidslijn tussen fictie en feiten wordt dan weggeblazen, om de lezer of kijker met een permanent gevoel van onbehagen achter te laten. Zoals bij de politieke filmkomedie Wag de dog (1997)waarin de briljante spin doctor Conrad Brean (Robert de Niro) een niet bestaande oorlog spint, om de aandacht af te wenden van het seksschandaal waarin een Amerikaanse president verwikkeld is. Na het zien van deze film bekijk je elk journaal vol wantrouwen en vraag je je altijd weer af of die oorlog in Albanië of Pakistan wel echt gevoerd wordt. Het nieuwste boek van Dimitri Verhulst, De laatkomer, brengt iets soortgelijks teweeg. Hier ontvlucht de gepensioneerde bibliothecaris Désiré Cordier zijn vastgeroeste leven door dementie voor te wenden. Verhulst beschrijft dit met zoveel overtuiging dat hij zijn lezer aan het einde van het boek met meer verwarring achterlaat dan hij Désiré heeft getooid. Want als je De laatkomer uit hebt zul je je steeds weer afvragen of die demente bejaarde die je op de bank bij vrienden tegenkomt, of die je schuifelend door de straat ziet gaan, wel echt dement is. Het is of ‘de ongemakkelijke blik van dementerenden die woest hun hele geheugen omwoelen’ van Désiré Cordier op jou is overgegaan en je zelf niet langer kunt vinden wat er ook eigenlijk niet meer is.

Verhulst levert hiermee in zo’n honderddertig pagina’s een grootse prestatie op kleinnood formaat. Hij beschrijft eerst hoe Désiré onder de grillen van zijn echtgenote Moniek langzaam mentaal wordt uitgekleed, totdat hem niets anders meer rest dan een ‘pantser van onverschilligheid’. Om hem vervolgens zijn eigenheid te laten hervinden in de beschutting van huize Winterlicht en in een zeldzaam grappige wraakexpeditie jegens zijn vrouw. Hij kent haar zogenaamd niet meer, ontneemt haar zo haar identiteit, gaat alles doen waar zij een hekel aan heeft, of ontkennen waar zij voor staat, en breekt haar zo stukje bij beetje af. Totdat ze doodser is dan hijzelf ziek. ‘Moniek de Petter. Mooie naam, voor op een grafsteen.’

Naarmate de pagina’s van De laatkomer vorderen stijgt de stapel vereffende rekeningen. Daarbij slaagt Verhulst er steeds weer in herinneringen uit Désiré’s saaie ‘gezonde’ leven en burgermansbestaan in zijn ‘zieke’ leven weer een nieuwe plek te geven. Hij vindt een oude jeugdliefde terug, Rosa Rozendaal, symbool voor alle gemiste kansen in het leven van Désiré. Een schoonheid die hij als zestienjarige versmaadde, maar die nu te dement is voor een tweede poging. Alhoewel hij het wel probeert.

De herinneringen bezorgen Désiré zowel pijn als plezier. De triestheid spat van de pagina’s af als hij zich realiseert dat zijn vrienden hem, alhoewel hij nog leeft, wellicht nog wel herinneren, maar zich niet om hem bekommeren. Maar tegelijkertijd is op vele andere pagina’s een schaterlach onvermijdelijk, als Désiré voor de zoveelste keer op onnavolgbare wijze wraak neemt op de frustraties uit zijn verleden. Bijvoorbeeld bij zijn vertrek naar huize Winterlicht. Désiré herinnert zich dan dat hij eens op weg naar een vakantie-adres in het Zuiden vergeten was de caravan achter de auto te hangen. Niemand had wat gezien of gezegd, maar toen ze pas voorbij de Franse grens ontdekten dat de caravan ontbrak kreeg hij van Moniek alle schuld en de wind van voren. Terwijl zijn familie zich gereedmaakte om Désiré naar huize Winterlicht te verhuizen herleefde deze het gevoel van onheuse bejegening van toen en nam hilarisch wraak door te vertikken in de auto te stappen zonder dat de caravan was aangekoppeld. Ze gingen immers op vakantie! Dat de vreemde stoet die de straat verliet op deze wijze alleen maar meer bekijks trok, iets waar de trotse Moniek een broertje dood aan had, maakte de wraak voor Désiré nog zoeter dan zoet. In de onvoorstelbaarheid en perfecte schoonheid van dit soort belevenissen toont Verhulst zich een ware humorist, van grootse klasse, voor wie een goede grap een noodzakelijk ingrediënt is voor een serieus verhaal. Want bij alle grappen en grollen is een serieuze ondertoon nooit ver weg. Tussen de regels door uit Verhulst de nodige kritiek op de moderne gezondheids’zorg’, waarbij de menselijke maat snel uit het oog verdwijnt en de diagnose van dementie gebaseerd is op een simpele test van een half uur.

Als Désiré door krijgt dat hij voor zijn vrouw en kinderen eigenlijk is opgehouden te bestaan, zijn vrienden hem niet meer bezoeken, en ook Rosa hem geen nieuwe start kan bieden, beseft hij dat een fictieve dementie de herinneringen aan zijn saaie leven nog onvoldoende uitgommen. Dit luidt het eindspel in. De oversteek van de Styx is onvermijdelijk. Maar dit kan voor de lezer geen echte verrassing zijn. De prachtige omslag van Femke Tomberg had die onvermijdelijkheid al voorspeld. Het toont een ganzenbord met daarop de mooiste herinneringen uit het leven van Désiré, in slechte en in goede tijden. Een ganzenbord ook waarbij de overwinnaar de doodskist wacht.

En maar verlangen – Frenk van der Linden

(ondertitel: De liefdesoorlog van mijn ouders)

De worsteling van Frenk van der Linden om in het reine te komen met zijn verleden heeft een boek opgeleverd dat is opgebouwd uit 10-tallen anekdotes. Het zijn schijnbaar geschreven brieven, afwisselend gericht aan zijn vader en aan zijn moeder. De ouders van Frenk zijn in 1970 uit elkaar gegaan en hebben elkaar 40 jaar niet meer gesproken. Tegen het einde van hun leven wil Frenk hen weer bij elkaar brengen.

De stijl van het boek is alsof Frenk steeds vragen stelt aan en opmerkingen maakt over de desbetreffende persoon die op dat moment het onderwerp is van de anekdote. Het is een prettig leesbaar boek geworden, waar taalkundig niets op aan te merken is. Er ontstaat een goed beeld van de situatie rondom de scheiding en van de periode vele jaren later, waarin Frenk zijn best doet om zijn ouders weer bij elkaar te brengen. Over de tussenliggende periode, die 40 jaar beslaat, wordt weinig bekend. Frenk heeft veel geworsteld met de vraag in hoeverre hij invloed had kunnen hebben op het geluk van zijn ouders na de scheiding. Waarom hij invloed zou moeten hebben op het leven van twee volwassen mensen is niet duidelijk. Hij houdt zich niet bezig met de vraag of hun leven de afgelopen 40 jaar nou zo slecht is geweest. Frenk probeert de problemen die hij heeft met het verstoorde kontakt met zijn ouders van zich af te schrijven middels gefingeerde brieven.

Nadat enkele mensen in zijn omgeving hem er toe brachten om deze anekdotes te bundelen is dit boek er van gekomen. De ondertitel van het boek komt wat vreemd over, maar dat zal wel commerciële redenen hebben. Om over een liefdesoorlog tussen zijn ouders te spreken is nogal overdreven, maar klinkt wel interessant. Zijn ouders zijn na een huwelijk van 15 jaar ieder hun eigen weg gegaan, zonder dat er daarna enig kontakt is geweest. Hoe vervelend die scheiding voor met name de vader is geweest, van een continue strijd daarna is geen sprake. De ouders zijn inmiddels al lang overleden en de zin om hen in hun laatste levensjaren weer bij elkaar te brengen is nogal twijfelachtig. Het is duidelijk dat de zingeving vooral ligt in de problemen die Frenk zelf heeft om met het verleden in het reine te komen. Hij heeft als 14-jarige jongen gelogen over het gedrag van zijn moeder en haar in de jaren daarna nooit meer willen zien. Hij adoreerde zijn vader en slaagde er in om bij hem te kunnen blijven wonen. Na twee mislukte huwelijken ervaart Frenk nu aan den lijve hoe sterk een allesverblindend liefde kan zijn en kan hij nu meer begrip hebben voor het feit dat zijn getrouwde moeder smoorverliefd werd op een andere man.

Recent heeft Frenk ook zijn tweede vrouw verlaten voor een ander. Merkwaardig is dat hij, ondanks de verstikkende ervaringen die hij heeft gehad met het verschijnsel huwelijk, hij er nu weer voor kiest om te trouwen. Als het huwelijk als min of meer heilige samenlevingsvorm voor Frenk niet zo belangrijk was geweest, dan was er niet veel aan de hand geweest en had dit boek niet geschreven hoeven worden. Moeder had een nieuw leven, vader had een nieuw leven, wat is het probleem eigenlijk. Het probleem ligt bij Frenk zelf. Elk mens heeft herinneringen aan het verleden, waarbij de pijnlijke momenten en de foute beslissingen nogal confronterend kunnen zijn. Frenk heeft spijt van de leugens die hij als 14-jarige heeft verkondigd over het gedrag van zijn moeder. Begrijpelijk, maar spijt kennen we allemaal en bovendien was hij nog maar een kind. De vader van Frenk was geen aardige man en vraag je zelf maar eens af of je er mee zou willen samenwonen. Ik gebruik hier bewust het woord huwelijk niet, omdat het juist het door Frenk zo verafgoodde huwelijk is dat voor hem het probleem oplevert. Het is in wezen niets bijzonders dat mensen na enkele jaren samengewoond te hebben, besluiten uit elkaar te gaan. Kennelijk leeft Frenk van der Linden nog in de samenlevingsmoraal van de jaren 50 van de vorige eeuw. Dat de ouders na 50 jaar weer zo nodig bij elkaar gebracht moeten worden, komt nogal soapachtig over en heeft alleen voor Frenk een therapeutische werking. Gelukkig was het boek vrij snel uit te lezen en heb ik er niet veel tijd aan verloren. Het boek was voor mij begrijpelijker geweest als het zich in een 60 jaar vroegere maatschappij had afgespeeld, maar komt nu nogal gedateerd over.

Het milieu waar Frenk uit voort gekomen is, blijkt zich niet op een bijzonder verheven niveau te begeven. Hij mag dankbaar zijn dat hij het toch zo ver heeft weten te schoppen dat hij een column in de Volkskrant kan schrijven, documentaires kan maken en aan een radioprogramma kan meewerken. Frenk van der Linden is bij mij geen bekende persoon en ik begrijp ook niet waarom hij zo de hemel in wordt geprezen als “super-interviewer”. Hopelijk is hij in staat om bij zijn andere activiteiten zoals o.a. columnist, meer waarde in de weegschaal te leggen.

Wat mij betreft is het een boek dat niet geschreven had hoeven worden. Er is niets bijzonders aan het feit dat ouders na een huwelijk van 10 jaar of langer uit elkaar gaan. Het is duidelijk dat de moeder destijds de juiste keuze heeft gemaakt, want wie wil er nu samenwonen met een man als Jan van der Linden. Hij is het archetype van een zelfvoldane, eigenwijze, niet bijster intelligent en egoïstisch persoon. Frenk is een man met jaren-50 moraal, die ook niet in staat is om de leugens, die hij als kind gepleegd hebt, te relativeren. Het is Frenk die nu nog steeds problemen heeft en dat probeert op te lossen door zijn ouders weer bij elkaar te brengen.

Dat Frenk, net als zijn vader, onverbeterlijk is, blijkt uit het feit dat hij nu voor de derde keer voor het door hem zo aanbeden huwelijk kiest.

Kortom: Een boek dat meer handelt over de problemen van Frenk dan dat van zijn ouders. De ondertitel van het boek is dan ook verkeerd gekozen.
Dit had moeten zijn: Hoe ik probeerde los te komen van in het verleden gemaakte fouten.

Ik geef het boek toch twee sterren omdat het taalkundig goed geschreven is.
Dat is een groot goed in deze tijd van taalverloedering.

Op Youtube zijn enkele fragmenten te zien uit de door hem gemaakte videodocumentaire “Verloren Band” uit 2009.

De filosofie van de heuvel-Ilja Leonard Pfeijffer (op de fiets naar Rome)

[Jan Herling]

Ilja ontmoet in een café in Amsterdam een jonge Russische vrouw, genaamd Gelya Bogatishcheva. Hij wordt verliefd op haar en samen besluiten ze om op korte termijn naar Rome te gaan fietsen. Opvallend is dat een niet-getraind persoon op een oude fiets, zonder bagage, drinkend en rokend zo’n tocht kan ondernemen. Voordeel is wel dat er overnacht wordt in hotels en dat geld geen rol speelt. De relatie met Gelya is duidelijk eenrichtingsverkeer, hij is verliefd op haar, maar zij moet weinig van hem hebben en moet beschouwd worden als iemand die het wel een mooie gelegenheid vindt om haar fotografiehobby verder te ontplooien. Of zij misbruik maakt van zijn creditkaart en zijn gezelschap durf ik hier niet te beweren, daarvoor is er te weinig over haar bekend.
Het taalgebruik in dit boek is in ieder geval bovengemiddeld van kwaliteit.
Er bestaan vele recensies van dit boek. Ik zal er hieronder twee citeren.

[Thalia Verkade schrijft in NRC van 25-8-2010]

Over fietstochtjes kun je beter niet schrijven, vond een van de gulst publicerende schrijvers over fietstochtjes, Bob den Uyl (1930-1992). „Beginnelingen willen voor het slapengaan nog wel eens notities maken over de afgelopen dag, de afgelegde route en de namen en tijden en tevens de mooie gedachten die er in hen zijn opgekomen noteren. Dit is belachelijk. De dag moet zijn als een prettige droom die je je niet meer herinnert, maar die je hult in een waas van onbegrepen geluk”, schrijft Den Uyl in Wat fietst daar? (1970).

Toen Ilja Leonard Pfeijffer en zijn geliefde Gelya na 41 dagen naar het zuiden fietsen in Rome aankwamen, ontdekten ze dat ze geëmigreerd waren. Ze bleven in Genua, de stad die ze een week voor het einde van de tocht hadden bereikt. De reis beschrijven was voor de classicus, dichter en columnist van nrc.next vanzelfsprekend. De dagelijkse vertrek-, doorreis- en aankomstplaatsen en het aantal uren fietsen zijn opgenomen in het boek, met zelfs een omschrijving van het weer erbij, boven elk hoofdstuk.

Maar verder is het boek juist een meditatieve bespiegeling, waarin de schrijver het vooruit- en terugblikken probeert af te leren. Telefonisch, vanaf een terrasje in Genua, vertelt Pfeijffer: „Het idee om te gaan fietsen kwam eerst. Ik dacht als ik dan toch zo’n rare reis ga maken dan kan ik er maar beter over gaan schrijven. Het was best wel moeilijk, om na het fietsen toch nog te schrijven. Ik heb het niet helemaal volgehouden maar ik schreef elke avond steekwoorden op. Toen ik alles ging uitwerken bleken die korte stukjes in stenostijl ook ruim voldoende te zijn om me alles te herinneren. Volgens mij herinnerde ik me alles ook beter omdat ik wist dat ik het ging opschrijven. Tijdens het fietsen dacht ik er al over na wat er in moest. En omdat ik dan niet kon schrijven, trainde ik zo mijn geheugen.”

Alleen een stukje naar het zuiden rijden, elke dag weer. Als je een reis helemaal voorbereidt en plant, zou dat volgens Pfeijffer alleen maar frustrerend werken. „Of je haalt het wel, en dan is het niet bijzonder. Of je haalt het niet, en dan is er de frustratie.”

Pfeijffer beschrijft hoe zijn vriendin onderweg wielrennertjes pest door ze op haar oude mountainbike in te halen, en over een van de eerste overnachtingen, bij een couchsurfer bij wie hij zijn bril vergeet. Dan maar zonder bril naar Rome.

Meestal rijden ze een kilometer of negentig. Soms is het nat, of is er een fiets kapot, en dan schiet het niet op. De frustratie loopt op op dag twaalf, in het Franse stadje Troyes, waar de fiets veel te lang bij een fietsenmaker staat: „En de huizen maar bulken met hun balken. Anton Pieckerige, nep-Duitse, Walt Disneyhuisjes. En maar middeleeuws doen. Hou toch op. Ik had al die steegjes al tien keer gewandeld”, noteert Pfeijffer.

Niet te veel nadenken over de toekomst blijkt voor een dichter met overgewicht de beste manier om zichzelf over de heuvels te tillen. Uit dag 31, Borghetto-Santo Spirito-Genua, warm en zonnig: „We hadden ’s ochtends bij de koffie niet moeten praten over deze dingen. We hadden niet moeten zeggen hoe mooi het zou zijn om aan het eind van de dag in Genua aan te komen en hoezeer wij ons er samen op verheugden. We hadden niet moeten praten over de steegjes en de pleinen die we kenden. Dat we dat wel deden, stond garant voor een zware dag.”

Pfeijffer, telefonisch: „De reis heeft me echt veranderd: het was bijna een vorm van meditatie. Zo’n leven zonder enige vorm van planning, in het moment zijn was mooi. Dat probeer ik nu ook wel te handhaven.”

De routekaart of een gpx-bestand staan op nrcnext.nl/fiets. Een route bij dit verhaal afdrukken is eigenlijk een beetje gek. Pfeijffer reed gewoon elke dag een stukje naar het zuiden, en om te beginnen volgde hij de bordjes Zoeterwoude-Dorp. Begin om kwart voor vier ’s middags, hou dat 41 dagen vol, en je zit in Rome.

[Miriam Rasch schrijft in 8weekly op 15-11-2009]

In veertig dagen op de fiets naar Rome: dat klinkt als een heilige onderneming. Dichter Ilja Leonard Pfeijffer en zijn vriendin, fotografe Gelya Bogatishcheva, ondernamen de tocht met niet meer dan een creditcard en een fotocamera op zak. De filosofie van de heuvel bevat naast het reisdagboek van Pfeijffer ook tientallen foto’s van Bogatishcheva. Onderweg wordt duidelijk dat niet Rome heilig is, maar de liefde.

Je houdt je hart vast bij het idee: Ilja Leonard Pfeijffer, op de cover afgebeeld met zijn buik in een veelzeggend zijaanzicht, die op een oude racefiets 2600 kilometer naar het zuiden rijdt, dwars door Frankrijk. Weliswaar om de Alpen heen, maar toch door een heuvelachtig landschap dat de fietsende Nederlander totaal vreemd is. Neem daarbij de grootverbruiker van wijn en shag die Pfeijffer is en je vraagt je af waar dat zal eindigen.

De heuvel is plat
Dat ze het zullen halen is vanaf het begin duidelijk en dat verandert de vraag van ‘waar’ in ‘hoe’. Twee dingen houden Pfeijffer gaande: zijn ‘filosofie van de heuvel’ en Gelya. De filosofie van de heuvel ontvouwt zich bij elke beklimming iets verder. Eerst probeert Pfeijffer het met trucjes: de heuvel is eigenlijk plat, de heuvel is gewoon deel van het landschap. Dat werkt niet als je benen verzuren en je longen verschrompelen in je borst. De enige juiste filosofie is het bestaan van de heuvel te erkennen: hij is echt.

Gelya is heel wat beter toegerust voor de reis dan Pfeijffer. Ze heeft een goede fiets en haar conditie is op peil. En zij lijkt niet te malen om heuvels en filosofieën. Ze leeft bij de dag, zonder plan en zonder verwachting. Dingen zijn er gewoon. Van haar leert Pfeijffer dat het niet gaat om het doel, maar om de weg ernaartoe. Dat klinkt als een tegelwijsheid, maar Pfeijffer weet het cliché te omzeilen door het te verbinden met aikido, en doordat hij weet waar hij het over heeft. Hij maakt kilometers, honderden kilometers echte weg.

Echte liefde
‘Echt’ is het sleutelwoord van De filosofie van de heuvel. De reis is echt, de pijn is echt, het dagboek is echt en de liefde is echt. Meer nog dan een ode aan Italië, de fiets en het goede leven is dit een liefdesverklaring aan het kleine Russische meisje Gelya. Opvallend genoeg is het geen lyrische ode van een dichter aan zijn muze, integendeel:

Ik had mij nog nooit zo gelukkig gevoeld als in de afgelopen dagen met Gelya in Genua. Als schrijver mag ik dat soort zinnen niet schrijven, ik weet het, maar het maakt me geen fuck uit want het is waar.

Pfeijffer balanceert hier op het randje, zoals je je voorstelt dat hij op de dunne bandjes van zijn racefiets balanceert. Dat geldt voor het hele boek: soms vervalt hij in reisboekentaal (fietsen door een ansichtkaart). Maar juist omdat het echt is, komt hij ermee weg. De ironie is natuurlijk dat alleen een goede schrijver dat kan: op een overtuigende manier authenticiteit inzetten als stijlmiddel.

Onder spanning
En toch had er meer in gezeten als de echtheid onder spanning was gezet. Uiteindelijk komt alles goed met de heuvels en de liefde en dat is net zo’n anticlimax als dat het hier staat. Ook voor de foto’s had er meer in gezeten. Ze zijn donker afgedrukt en missen daardoor spanning. Het katern met kleurenafdrukken laat zien dat het ook anders had gekund.

De filosofie van de heuvel lijdt onder een bekend probleem in de literatuur: mooie landschappen en een gelukkige liefde gaan op den duur vervelen. Het zijn de diepe dalen waar je als lezer in vast wilt komen te zitten. Beklimming en afdaling zijn in dit boek in balans, zoals de finale filosofie van de heuvel dicteert. Dat is fijn voor Pfeijffer en zijn lief, maar een beetje saai voor de lezer.

Fietsen voor je leven-Rens Cappon (naar Rome, morgen zien we weer verder)

[Jan Herling]

Een erg indrukwekkend boek is Fietsen voor je leven (en dan weer verder). Ik heb het in maart 2021 voor de tweede keer gelezen.
De fietstocht naar de Alpen is een aaneenschakeling van sombere gedachten en fysieke inspanning. Rens Cappon is een man die al meerdere zware fietstochten heeft gemaakt, evenals een kanotocht over de Maas in Frankrijk. Hij is iemand die goed weet te overleven onder moeilijke fysieke omstandigheden, dankzij zijn kennis van kamperen en alpinisme. Hij is helaas onderhevig aan depressiviteit, versterkt door een mislukte relatie met een vrouw, waar hij nog steeds verliefd op is. De fietstocht zou een oplossing voor zijn problemen moeten worden, maar aan het einde van het boek blijkt dat dit niet gelukt is.

Hij komt in het boek over als een egoïstische en narcistische drinkebroer die nogal buiten de werkelijkheid staat. In principe ziet hij de medemens als zijn vijanden die hem altijd willen bedriegen. Een enkele keer ervaart hij hulp en daar is hij dan ook zeer enthousiast over. Veel alcohol drinken, joints roken en afhankelijk van andere mensen zijn, kenmerken zijn fietstocht. Ook ziet hij er geen been in om vrienden in Nederland te vragen om regelmatig spullen naar een adres toe te sturen waar hij verwacht wat later aan te komen. Als hij in Rome is aangekomen, komt vriend Brian (uit Brussel) daar ook naar toe. Deze ontmoeting verloopt ook niet goed. Later terug in Nederland heeft hij geen vrienden meer en wil hij ook zijn moeder en zus nooit meer zien. Met zijn vader was hij al gebrouilleerd.

Conclusie: Een indrukwekkend boek, dat taalkundig geen hoogvlieger is. Het wemelt van de stopwoorden als “gewoon” en “echt”, waardoor dit na verloop van tijd zelfs gaat irriteren. Er zijn weinig nuanceringen in zijn beschrijvingen te vinden.
Iets gaat “gewoon” zo en dit is “echt” een vervelende camping en dit is “echt” zo.

Amerikanen fietsen niet (van Miami naar San Francisco)

[Jan Herling]

Ja, wat een losers zijn het toch, die Gijs en Aimée. Je hoeft niet in de VS geweest te zijn om te weten dat woonomgevingen lelijk en gevaarlijk zijn. Ja je moet door dalen om pieken te waarderen. Dat kan ook door met de bus naar een nationaal park te gaan.
Dat Amerikanen erg hulpvaardig zijn is ook bekend, maar dat ervaar ik in Europa ook, wellicht wel wat minder.
Ik ben zelf al vele jaren vakantiefietser en ik zou mensen aanraden om in Europa te blijven. Drie keer heen en terug naar de Middellandse Zee fietsen kan je veel mooiere vakanties opleveren met ook 8500 km op de teller.
Overigens waardeer ik de schrijfstijl en de humor. Ook de foto’ s zijn een prettige aanvulling.
Conclusie: Aanrader om te lezen en je te behoeden om onbezonnen in de VS te gaan fietsen, tenzij je per se door een heel diep dal wilt gaan.

[Recensie van Jeanette van de Lindt op 4-8-2018]

Van Miami naar San francisco op de fiets
Gijs van Middelkoop en zijn vriendin maken een aantal oeferentochten in Europa en zijn in 2009 klaar voor een tocht dwars door Amerika. Dwars door Amerika op de fiets. Ze willen Amerika goed leren kennen en dat lukt uitstekend. Al loopt niet altijd alles op rolletjes. Sommige stukken waar ze doorheen fietsen zijn ronduit saai. Ze trekken door Florida en via de zuidelijke staten Louisiana, Texas en New Mexico gaan ze richting de bergen van Arizona. Door de woestijn in Nevada komen ze uiteindelijk, na zes maanden, in Californië.

Ze ontmoeten Amerikanen in alle soorten en maten en maken kennis met heel veel verschillende karakters. Amerika is geen fietsland en hun tocht is dan ook niet altijd zonder gevaar. Niet zo heel lang na het begin van de reis besluiten Gijs en zijn vriendin een heel stuk apart van elkaar te fietsen. Gijs komt al snel een andere vrouw tegen die ook een fietstocht maakt. Wat zich tussen de twee afspeelt komen we als lezer niet te weten. Maar nadat Gijs en de vrouw weer apart van elkaar verder fietsen blijkt zij zijn paspoort meegenomen te hebben en moeten ze dus nog een keer afspreken. Ondertussen fiets Gijs weer verder samen met zijn vriendin.

Gijs van Middelkoop heeft een droge humor en weet zelfs van kleine gebeurtenissen vaak iets kleurrijks te maken. Alhoewel er ook lange en saaie ritten gemaakt worden die weinig spannends met zich meebrengen. De ontmoetingen met de mensen onderweg en de beschrijvingen van steden en natuur zijn zondermeer boeiend te noemen.
Zelfs als je geen fietsliefhebber bent dan is zo’n reis de moeite waard om op papier mee te maken. En ondertussen leer je veel over Amerika en de Amerinanen. Er zijn mooie kleurenfoto’s en overzichtelijke kaartjes zodat je de reis makkelijk kunt volgen.

Fietsen op zee-Marten Horjus (naar Santiago en verder)

[Jan Herling]

Marten Horjus vertrekt op 57-jarige leeftijd met fiets en aanhanger van Monnickendam naar Santiago de Compostella. Het is dan 1 april 2015. Het boekt beschrijft vooral de gedachten waar Marten mee behept is tijdens deze tocht. Het is in het begin enigszins wennen omdat de dood hier een belangrijke rol in speelt. In gedachten komt hij regelmatig de dood tegen, die de personificatie van zijn overleden vader moet zijn. Het boek is in de derde persoon geschreven, waarbij René Agema de rol van Martens alter ego op zich neemt.
Ondanks de vele filosofische bespiegelingen is het boek luchtig geschreven en blijkt de fietstocht geen grote problemen op te leveren. Onderweg worden er regelmatig wat potloodschetsen gemaakt die deels ook in het boek zijn opgenomen. Bespiegelingen over de medereizigers, die ook de Santiagotocht lopen, geven stof tot nadenken. Wat bezielt al die mensen toch. Een grote gemene deler blijkt te zijn dat de meesten hun in het verleden opgedane onprettige ervaringen niet hebben kunnen verwerken. Meestal ervaringen, die in zekere zin niet bijzonder extreem zijn, omdat deze nu eenmaal onderdeel van het leven zijn. Ook de gesprekken met medewandelaars en medefietsers zijn op een gegeven moment inhoudsloos geworden omdat de vragen en antwoorden voorspelbaar zijn.

Conclusie: Een verhaal dat verder gaat dan een reisbeschrijving en de lezer meeneemt naar de herinneringen uit het verleden van de hoofdpersoon. De zee in de titel moet geïnterpreteerd worden als de eindeloze vlakte waarop het leven zich afspeelt.

De enige vraag die ik nog heb is, hoe het kan dat zijn vrouw Rebecca op 13 mei in Leon plotseling met een elektrische fiets opduikt en meefietst naar Santiago de Compostella.

Hieronder heb ik een link geplaatst naar een youtube video, waarbij het boek in Monnickendam ten doop wordt gehouden.

Tekst op de achterkant van het boek:

En op een dag is het zover. Hij is 57 jaar oud, de leeftijd waarop zijn vader stierf. René Agema, begenadigd verteller, muzikant en tekenaar, zegt het onderwijs vaarwel, laat de zekerheden van het leven los en stapt op de fiets voor de tocht der tochten. Einddoel Santiago. In z’n eentje… of toch niet?

Gaandeweg blijkt dat hij zich bij tijd en wijle in gezelschap bevindt van niemand minder dan de Dood, het alter ego van zijn vader, soms van zijn moeder en soms van beide ouders.Wat willen ze van hem? En wat wil hij van hen?

Een wonderlijke communicatie speelt zich af tijdens de reis.Wekenlang fietst de praatgrage René alleen, maar toch ook weer niet, omdat op de meest onverwachte momenten zijn vader of moeder naast hem neerstrijkt voor een kort gesprek.Vooral de vaderfiguur is de grote onbekende factor in zijn leven, maar geleidelijk groeit er een verstandhouding tussen vader en zoon, ja, haast een band.

Is de vader de verteller of zijn het de herinneringen aan kleine voorvallen die maken dat de zoon steeds meer naarboven haalt wie zijn vader eigenlijk was, wie zijn ouders waren en welke plaats hij zelf in het gezin innam.

Ondertussen ontrolt zich de reis, vinden ontmoetingen plaats met andere reizigers,worden erotiserende momenten gedeeld en beseft de verteller dat hij met zijn ontslag alle zekerheden overboord heeft gegooid en fietst over een eindeloze zee…

Het geluk van fietsen-Kees Valkenburg (verhalen van een fietsfreak)

[Jan Herling]

Het is wat de titel beweert, niet zozeer een boek met reisverhalen maar verhalen over een bijzondere fietshobby. Het boek beschrijft wel een fietstocht van Boedapest naar Praag als huwelijksreis, maar de omstandigheden waaronder deze reis ondernomen werd waren nogal onaangenaam en kennelijk niet voor herhaling vatbaar. Kees ontwikkelt zichzelf tot iemand die meer gepassioneerd is van het verschijnsel fiets als transportmiddel op een ecologische wijze.
Hij is een technisch goed onderlegde man, die er plezier in heeft om fietsen op te knappen en deze soms te verhandelen. Met name fietsen uit het begin van de 20e eeuw hebben zijn voorkeur. Hij stelt dan ook veel in het werk om een zo authentiek mogelijk exemplaar uit deze periode na te bouwen. Zijn visie op de moderne fietsindustrie blijft ook niet onbesproken. Hoewel ik het boek ben gaan lezen omdat ik reisverhalen verwachtte, heb ik dankzij de gezonde dosis humor en de kleine illustraties wel plezier aan het boek ontleent. Bovendien heb ik geleerd dat er zelfs een vereniging bestaat van liefhebbers van fietsen uit de periode rond het jaar 1900. Nou, wat wil je nog meer.

[Recensie van Rijkert Knoppers, 28-11-2020]

Hoeveel mensen zouden er prat op gaan dat zij de slechtste huwelijksreis ooit zouden hebben georganiseerd? En hoeveel daarvan gaan dat vervolgens breeduit publiceren in boekvorm, alsof het hier om een grote prestatie zou gaan? Dat doet Kees Valkenburg, in het dagelijkse leven inkoopmanager bij een van de ministeries, echtgenoot maar vooral: fietsenliefhebber! Dat de fiets een zekere stoorzender zou kunnen zijn voor het welzijn van het jonge echtpaar, moet vanaf het eerste moment duidelijk zijn geweest. Want, zo erkent Valkenburg openhartig, de afleiding die een relatie veroorzaakt zou hooguit zijn studie mogen benadelen maar niet zijn hobby: het fietsen. Maar dat niet iedereen zijn liefde deelde, bleek al snel toen hij zijn vriendin een Peugeot racefiets cadeau deed: na een proefrit van vijftig kilometer constateerde ze dat de racefiets eerder een martelwerktuig was dan een comfortabel vervoermiddel. “Ga in je eentje fietsen, eikel,” gilde ze het uit, terwijl de gezamenlijke fietstocht op de Veluwe al was uitgelopen tot 11 uur ’s avonds. Na dit weinig romantische fietstochtje knutselde Valkenburg van oude onderdelen een trekking bike voor haar in elkaar. Toen die fiets goed beviel lanceerde hij naar eigen zeggen een van zijn betere plannen: het organiseren van een huwelijksreis per fiets.

Het idee: eerst met de fietsbus naar Boedapest, om vervolgens in vier weken tijd van camping naar camping te fietsen, met eindbestemming Praag. Daar zouden ze voor de terugreis weer de fietsbus nemen. Het bleek geen succes. Regen, wind en kou verstoorden de romantiek, terwijl bovendien de uitgezette route zo’n beetje dwars door het allerlelijkste deel van Europa voerde.

De liefde voor de fiets was al vroeg begonnen met de aanschaf van zijn eerste afgeragde crossfiets, die hij voor vijf euro had gekocht. Slippend remmen, wat wil je nog meer op die leeftijd. Een zucht naar avontuur is hem daarbij niet vreemd. Zo ging hij op tienjarige leeftijd met een vriend ijsfietsen, slingerend van de ene oever naar de andere op het smeltend ijs van De Meulenkreek in West-Brabant, met af en toe een sprongetje met fiets en al over een kier van een paar centimeter, waar het ijs al aan het dooien was, iets wat lang niet altijd lukte.

Naast dit soort grensverleggende activiteiten begon ook het opknappen van oude fietsen een belangrijke plaats in zijn leven in te nemen. Om aan moedermateriaal te komen schroomde de auteur niet om zich ook een langdurig geparkeerde fiets toe te eigenen, een keurige Gazelle met drie versnellingen van hooguit een jaar oud. Hij ondernam de actie trouwens op een keurige manier, met een strategische inschakeling van de politie. Hoe hij het slot wist open te maken vertelt het verhaal overigens niet.

[Recensie van Jolanda Kalkman, 22-12-2020]

Wat is de belangrijkste uitvinding uit de geschiedenis? Inderdaad: het wiel. En laat een fiets nu twee van die prachtige wielen hebben! De fietsliefde zit bij Kees in zijn genen. Dit kan hij goed combineren met zijn liefde voor de natuur en zijn eigenzinnige karakter. Deze combinatie leidt tot onverwachte verhalen die hij samen gebundeld heeft tot dit boek. Met in de hoofdrol: al zijn fietsen!

“De fietswet van Kees: met fietsen heb ik altijd geluk.”

Met het boek Het geluk van fietsen heeft Kees Valkenburg een biografie over zijn eigen leven geschreven met als leidraad: fietsen. Zo herinnert hij zich zijn eerste fiets nog, een oude, afgeragde crossfiets. Hier heeft hij heerlijk op kunnen slippen, net zolang tot zijn binnenband uitpuilde. En zelfs toen hield hij het er nog maanden op uit. Zo is ook zijn eigen fietswet ontstaan. Hij kwam erachter dat hij met fietsen altijd geluk had. Echter tijdens zijn huwelijksreis, die hij uiteraard op de fiets wilde doorbrengen, kwam hij erachter dat hij misschien toch wel een andere fietswet nodig had, omdat de oude toch wel ver van de waarheid af kwam te staan. Zo ontstond zijn nieuwe fietswet. Een die wel altijd werkt:

“Fietsen levert mooie verhalen op.”

In deze laatste fietswet kan ik mij ook helemaal vinden. Want het boek is echt een heerlijk en vaak herkenbaar verhalenboek geworden. Extra leuk is dat Kees zijn eigen illustraties heeft getekend. Niet dat hij zo getalenteerd is, maar ze zijn wel helemaal passend bij het verhaal en soms erg grappig.

Ik werd heel erg nieuwsgierig naar dit boek na het lezen van de achterkant. Daarop staat dat je dit boek zou willen lezen, wanneer je wel eens fietst, je wilt lachen en je graag over andermans stomme dingen wilt lezen. Eerlijk gezegd klopt dit alle drie, ik ben dol op fietsen, humor in een boek waardeer ik altijd erg en domme acties zijn vaak erg grappig om te lezen (en die doe ik zelf helaas ook, moet ik toegeven). Het boek was dan ook echt een feestje om te lezen.

Kees is iets ouder dan dat ik ben, maar toch herkende ik heel veel uit zijn fiets carrière. Zo was mijn eerste echte fiets ook van het merk Giant. Hij was zilver/blauw met een heel speciaal ligstuur. Net als Kees zorgen herinneringen aan deze fiets voor een reis terug naar het verleden. Mijn reis op deze fiets eindigde bij een behoorlijke aanrijding, waardoor ik deze fiets nooit meer heb aangeraakt. Kees realiseerde zich dat het juist deze fiets was waarop hij zijn uitzonderlijke huwelijksreis had gereden. Maar over de keuze tussen vrouw of de vrijheid van het alleen fietsen heeft hij nooit spijt gehad. Want nu, 26 jaar later, is hij nog altijd zeer gelukkig met zijn vrouw en twee kinderen (en met zijn huidige fietsen natuurlijk!)

Met Het geluk van fietsen heeft Kees een heerlijk, humoristisch en herkenbaar boek geschreven dat ook zeer geschikt is voor de niet zulke fanatieke boekenlezers. Zolang je maar iets met fietsen hebt, zul je ervan kunnen genieten. Het boek gaat als leestip in elk geval rond bij onze eigen fietsclub en van een van de fietsclubleden weet ik dat hij het inmiddels ook al in zijn bezit heeft. Ook hij is erg enthousiast over het boek en we hebben er dan ook samen al uitgebreid over gesproken.

Wanneer je het boek uit hebt, moet je ook zeker even een kijkje op de website van Kees nemen. Omdat foto’s het verhaal kunnen versterken en fotograferen ook een van de hobby’s is van Kees, zijn er in het boek verscheidene foto’s opgenomen. Deze zijn in zwart-wit afgedrukt, maar op de website kun je ze in kleur bekijken. Een leuke aanvulling op het boek.

Wat ook erg leuk is, is dat Kees altijd weg is geweest van het design van fietsen die tussen 1895 en 1920 zijn gebouwd. Op basis van dit design heeft hij in 2018 een replica gemaakt. Het hele proces van hoe dit tot stand is gekomen kun je ook teruglezen in dit boek. Het is een waar levenswerk geworden, maar wel een dat naar volle tevredenheid is afgerond. Maar het is zeker niet zijn laatste project waaraan hij heeft gewerkt! Om je een beeld van het eindresultaat te geven, zal ik Kees’ woorden citeren:
“Vet ding, man. En trendy banden trouwens, waar koop je die?”

Hou je ook erg van fietsen? Vind je humor in een boek belangrijk en ben je benieuwd geworden naar de fietsavonturen en stommiteiten van Kees Valkenburg? Dan moet je zeker dit boek gaan lezen. Het is een groot feest van herkenning!